Financieel Woordenboek
Alle termen worden hier uitgelegd. De termen zijn opgedeeld per rubriek:
- Beleggen
- Hypotheken |
|
Beleggen ABC |
 |
In de Beleggingswereld wordt veel gebruik gemaakt van vakjargon. Niet iedere belegger kent de betekenis van al deze begrippen uit zijn hoofd. In het Beleggers ABC van Mister Money vindt u een korte en bondige uitleg van terminologie uit de beleggingswereld. Zo weet u van A tot en met Z waarover gesproken wordt!
|
|
| Nasdaq |
National Association of Securities Dealers Automated Quotations. Elektronische (beurs)vloer van New York. |
| Netto rendement |
Nettorendement houdt in dat de kosten en eventueel de te betalen belasting reeds met het resultaat zijn verrekend. Dit resultaat in verhouding tot het geïnvesteerde geld is het nettorendement. |
| Nikkei |
Japense beurs. |
| Nominale waarde |
Bij een obligatie: de grootte van de schuldvordering. Bij een aandeel: het bedrag van de deelneming dat op de mantel staat vermeld. |
| Notering |
Koers die in de Officiële Prijscourant wordt opgenomen. |
| Obligatie |
Een obligatie is een schuldbrief die normaliter recht geeft op een vaste rente en op de terugbetaling van de hoofdsom. |
| Obligatiefonds |
Een beleggingsfonds dat alleen belegt in obligaties. |
| Odd lot |
Minder dan 100 aandelen. |
| Ongedekte optie |
Hiervan is sprake als de klant call-opties schrijft zonder dat de onderliggende waarden in depot aanwezig zijn. |
| Openingskoers |
Koers waartegen direct na opening van de officiële beurs verhandeld. |
| Opschorting |
Tijdelijk staken van de beurshandel in een fonds, meestal in verband met een belangrijke mededeling van de betrokken onderneming. |
| Optie |
Verhandelbaar recht om van de onderliggende waarde (bijvoorbeeld aandelen of obligaties) een standaardhoeveelheid te kopen (call) of te verkopen (put) tegen een vooraf overeengekomen prijs. |
| Optieprijs |
Prijs (koers) waartegen een optie wordt verhandeld dan wel de prijs waartegen een optie staat genoteerd. |
| Pandbrief |
Schuldbrief, uitgegeven door een hypotheekbank. |
| Pari |
Gelijk aan waarde (bijv. 100 tegen 100). |
| Pay-out |
Deel van de nettowinst dat als dividend aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd. |
| Premielening |
Premieobligatie. |
| Preferente aandelen |
Aandelen waaraan voorrechten zijn verbonden, zoals winstdeling of de benoeming van bestuursleden. |
| Prijshoudend |
Marktstemming waarbij de koersen niet dalen en niet stijgen. |
| Primaire markt |
Emissiemarkt waar sprake is van aandelen of obligaties die voor het eerst worden uitgegeven. |
| Privatisering |
Situatie waarin de aandelen van een overheidsbedrijf (gedeeltelijk) in handen van particulieren overgaan. |
| Prospectus |
Schriftelijke aankondiging en bijschrijving van een product of ondernemening. |
| Put optie |
Recht om een belegging te verkopen tegen een van tevoren overeengekomen prijs. Voor dat recht moet een premie worden betaald. |
| Quote |
De hoogste biedprijs en de laagste verkoopprijs van een bepaald effect op een bepaald moment. |
| Raider |
Opkoper van bedrijven. |
| Rating |
Beoordeeling van de kredietwaardigheid van een bedrijf. |
| Ratio |
Getalsverhouding die het maken van vergelijkingen versimpelt. |
| Recessie |
Economische teruggang. |
| Rendement |
Opbrengst of inkomen van een investering of belegging als financiële uitkomst over een (meestal) bepaalde periode. |
| Retail |
Kleinhandel. |
| Revaluatie |
Het naar boven aanpassen van de wisselkoersen. |
| Roll-over |
Vervangen van een optiepositie door een nieuwe met een latere afloopmaand en/of andere uitoefenprijs. |
| Royeerbaar certificaat |
Certificaten die omgewisseld kunnen worden naar aandelen. |
| Schatkistbiljetten |
Langlopende en rentedragende schuldbekentenissen van de overheid. |
| Schatkistpapier |
Kortlopende en rentedragende schuldbekentenissen van de overheid. |
| SEC |
Securities and Exchange Commission. |
| Settlement |
De afhandeling van een transactie zowel de stukken als het geld. |
| Short call |
Een enkelvoudige optietransactie, waarbij men als belegger één of meerdere call-opties schrijft. |
| Short put |
Een enkelvoudige optietransactie, waar men als belegger één of meerder put-opties schrijft. |
| Slotkoers |
Laatste koers van een bepaald effect op een handelsdag. |
| Small caps |
Aandelen van wat betreft marktkapitalisatie kleinere bedrijven. |
| Speculeren |
Handelen in de verwachting winst te maken door stijging of daling van prijzen. |
| Split up |
Splitsing van aandelen in kleinere coupures van hetzelfde fonds. |
| Staatslening |
Geldlening door een staat aangegaan. |
| Staatsobligaties |
Verhandelbaar schuldbewijs van de overheid. |
| Steunniveau |
Prijsniveau waarop er genoeg vraag in de markt is om een koersdaling een halt toe te roepen. |
| Stockdividend |
Een nieuw aandeel als dividend uitgekeerd. |
| Swap |
Omwisselen van vergelijkbare effecten om zo een hoger rendement te behalen. |
| Switchen |
Wisselen tussen de verschillende fondsen. |
| Talon |
Bewijs behorend bij een effect, waartegen een blad met nieuwe coupons kan worden verkregen. |
| Target |
Koersdoel van een aandeel. |
| Technische Analyse |
Beleggingsmethode waarbij men alleen uitgaat van historische koersgegevens en aan de hand van grafieken een beleggingsstrategie bepaalt. |
| Termijnmarkt |
Vraag en antwoord in de termijnmarkt. |
| Trendlijn |
Een rechte lijn die een aantal markante punten in een grafiek met elkaar verbind. |
| Trustee |
Vertrouwenspersoon die belangen van een groep mensen behartigt. |
| Uitbodemen |
Stabiliseren van de koers na een mindere periode. |
| Uitbreken |
Onverwachts omhoog schieten van een stagnerende koers. |
| Underpreformer |
Aandeel dat minder in koers is gestegen of meer gedaald dan een index. Een aandeel dat het beter doet dan een index heet outperformer. |
| Upgraden |
Verbeteren. |
| Valuta |
Geldsoort. |
| Vast |
Marktstemming bij oplopende koersen. |
| Vaste rente |
Rente die voor een bepaalde afgesproken periode vast staat. |
| VEB |
Vereniging voor Effectenbezitters. |
| Venture capital |
Amerikaanse term voor durfkapitaal, vermogen dat wordt verschaft aan jonge, veelbelovende maar enigszins riskante bedrijven. |
| Verwachtingswaarde |
Het verschil in de uitoefenprijs van een optie en de prijs van het onderliggende effect. |
| Volatiliteit |
De beweegelijkheid van een of meerdere aandelen. |
| Vreemd vermogen |
Alle schulden van de vennootschap. |
| VVDE |
Vereniging voor de effectenhandel. |
| Wallstreet |
Straat waar de New York Stock Exchange gevestigd is. |
| Warrants |
Verhandelbaar recht om tegen een vastgestelde prijs gedurende een bepaalde periode nieuwe aandelen te kopen, rechtstreeks van de vennootschap. |
| Weerstandniveau |
Prijsniveau waarop er genoeg aanbod in de markt is om een koersstijging een halt toe te roepen. |
| Wholesale |
Orders en transacties van een grote omvang. |
| Window dressing |
Spelen met de beleggingsportefeuille dat de eindejaarsrapportage een zo gunstig mogelijk beeld laat zien. |
| Willig |
Martkstemming met sterk oplopende koersen. |
| Yield-gap |
Renteverschil tussen staatsobligaties en gewone obligaties. |
| Yield-ratio |
Verhouding tussen het dividendrendement (dividend gedeeld door beurskoers) op aandelen en het rendement op de kapitaalmarkt. |
| Zero bond |
Een obligatie waar geen coupons aan zitten. |
| Zwak |
Marktstemming bij lagere koersen. |
|
|
|
|